Het kind centraal (nieuwe wetgeving kinderalimentatie) pagina.

Bijna ongemerkt werd er een aantal jaren een voorstel voor een nieuwe wet voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie gewerkt. Deze wet is gebaseerd op het rapport "het kind centraal" wat de indruk wekt dat het om het belang van het kind zou gaan. De wet is echter een pure bezuinigingsmaatregel. In de slotconclusie staat dan ook alleen de besparing die het de overheid zal opleveren en vinden we niets terug over de belangen van het kind. Aangezien deze wet invloed zal hebben op de levens van bijna 1 miljoen Nederlanders (dit is ongeveer het aantal gescheiden mensen) is het heel belangrijk dat er een goede en rechtvaardige wetgeving komt. Ondanks dat de Kamer, de Raad van State, de rechters en de gemeenten negatief zijn over het huidige wetsvoorstel, wil de minister Donner het voorstel niet intrekken, omdat er dan een gat in het budget van staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken zal vallen. Het gaat om bezuinigingen die al zijn ingeboekt, omdat er minder beroep wordt gedaan op de bijstand. Het gat loopt op van 50 miljoen euro dit jaar tot 190 miljoen over drie jaar. Om deze redenen is het belangrijk dat er een brede maatschappelijke discussie ontstaat over deze omstreden wetgeving. Deze pagina geeft informatie over dit wetsvoorstel en geeft de mogelijkheid tot openbare discussie.

De bronnen voor deze pagina zijn internet sites, boeken, tijdschriften, eigen ervaringen en ervaringen van derden. Er is veel aandacht besteed aan de correctheid van de informatie op deze pagina, mocht u eventueel toch nog een opmerking hebben laat het mij dan even via een email weten.

Update: Jan 2007
Tot mijn grote genoegen kan ik melden dat al ons verzet niet voor niets is geweest, het wetsvoorstel is ingetrokken. De rechterlijke macht heeft de oude Trema norm iets aangescherpt en voorlopig zullen we het met deze oplossing moeten doen. De nieuwe Trema norm is niet de beste oplossing maar wel vele malen beter dan het wetsvoorstel dat er lag. Bij deze de tekst van het kamerstuk:


29 480 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede van enige andere wetten in verband met de vaststelling van kinderalimentaties (Wet herziening kinderalimentatiestelsel)

Nr. 15 BRIEF HOUDENDE INTREKKING VAN HET WETSVOORSTEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 9 november 2006

Blijkens de schriftelijke gedachtewisseling met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is dat er onvoldoende draagvlak voor het voorgestelde forfaitaire systeem van vaststelling van kinderalimentatie. Ik heb vernomen dat de werkgroep alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak een aanscherping van de Tremanormen voor kinderalimentatie ter hand heeft genomen. Daartoe gemachtigd door de Koningin trek ik het voorstel van wet hierbij in.

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin


Klik hier om de tekst van het kamerstuk (KST103010) in PDF formaat te downloaden!

Met vriendelijke groeten, Hein Pragt

Inhoud opgave


verkorte samenvatting van het rapport het kind centraal.

© 2004 H.M. Pragt

Dit is een zeer verkorte samenvatting van de beleidsnota alimentatiebeleid waarop de nieuwe wet voor kinderalimentatie is gebaseerd. De werkgroep geeft in de nota aan dat veel minder vaak kinderalimentatie wordt betaald dan zou mogen worden verwacht waardoor de financiële last van de zorg voor kinderen onevenredig zwaar drukt op de verzorgende ouder. Tevens is een conclusie van het rapport dat er sprake is van afwenteling van de lasten van kinderen op de gemeenschap (bijstand). Het rapport heeft ook kritiek op de Tremanormen die volgens de nota teveel rekening houden met de lasten van de onderhoudsplichtige, waardoor de kinderalimentatie vaak in het gedrang komt.

Het voorstel is dan ook dat er een nieuwe methode van vaststelling van kinderalimentatie komt, waarbij geen rekening meer wordt gehouden met lasten of draagkracht en de onderhoudsbijdrage een vast percentage is van het inkomen van de onderhoudsplichtige.

De hoofdvariant van de nota stelt voor om de kinderalimentatie maar één keer (bij de echtscheiding) vast te stellen waarna deze niet meer gewijzigd kan worden, ook niet als de onderhoudsplichtige sterke in inkomen achteruit of vooruit gaat.

Ook wil de werkgroep de rechter, de gemeente en het lbio (incassobureau voor kinderalimentatie) onderbrengen in één nieuwe organisatie die de hoogte van de alimentatie vaststelt en incasseert, inclusief de bevoegdheid tot het zonodig leggen van loonbeslag. De rechter heeft dan alleen nog een taak in beroepszaken.

Voor de hoogte van die zorgplichtbijdrage wordt gedacht aan 50% van de normbijdrage voor ouders bij kinderopvang. Voor kinderen tot 4 jaar op basis van dagopvang, voor 4-18 jaar op basis van buitenschoolse opvang.

Ook pleit de nota voor het afschaffen van de aftrek voor omgangskosten en andere kosten en het loslaten van het nu geldende draagkrachtbeginsel. Ook zal het aantal wijzigingsgronden voor een eenmaal vastgestelde kinderalimentatie moeten vervallen, dus geen wijziging meer na samenwonen door de onderhoudsplichtige of bij nieuwe kinderen of inkomenswijziging.

De onderhoudskosten zullen worden vastgesteld op basis van een door de overheid vastgestelde tabel. Dit tabelbedrag wordt ook het minimum voor een afspraken die ex partners onderling willen maken.

Voor de zorgplichtbijdrage wordt wel gedacht aan een inkomensafhankelijke bijdrage, die wordt vastgesteld op basis van het gemiddeld belastbaar inkomen van de onderhoudsplichtige over de laatste 3 jaar. De jaarlijkse indexatie van de alimentatiebedragen blijft wel bestaan.

In een variant B doet de nota het voorstel de onderhoudskosten toch ook maar inkomensafhankelijk te maken via een (ronduit belachelijke) tabel die geen glijdend verloop heeft waardoor scherpe overgangen optreden bij overschrijden van modaal en 2x modaal.

In een variant C wordt voorgesteld om als uitbreiding op variant B toch maar herzieningsmomenten in te bouwen, als het kind 4, 12 en 18 wordt.

Het rapport heeft als naam "het kind centraal" maar de conclusie heeft niets met de belangen van het kind te maken maar is gewoon een besparing voor de overheid (rechterlijke macht een mogelijke bezuiniging op vooral de bijstand) van zo'n 200 tot 300 miljoen euro. Over partneralimentatie schrijft de nota eigenlijk niets.




Commentaar en kritiek.

© 2004 H.M. Pragt

Hier volgt een samenvatting van alle commentaar en kritiek van pers en onderzoeken met aanvullingen van mijzelf.

  • Het rapport teveel toegespitst op bezuinigingen en te weinig op verbetering van het huidige alimentatiesysteem.
  • Als de bijna alles wat de alimentatieplichtige boven het bestaansminimum opgaat aan alimentatie zal deze niet meer gemotiveerd zijn om inkomsten te verhogen of zelf te werken. Als de alimentatieplichtigen een inkomen heeft op bijstandsniveau of net erboven, heeft het opleggen van een alimentatieverplichting weinig zin, omdat de geringste kinderalimentatie ervoor zal zorgen dat hij minder kan besteden dan het bestaansminimum.
  • Als er geen kinderalimentatie wordt betaald, komt dat meestal doordat de alimentatieplichtige onvoldoende inkomen heeft, het opleggen van een forfaitaire kinderalimentatie helpt dan niet.
  • De samenvoeging van vaststellende en innende taak is zeer kwalijk zeker als de overheid het uitgangspunt kiest om veel geld binnen te halen. Dit zal een rechtvaardig beleid niet ten goede komen.
  • De besparing op de rechterlijke macht zal niet afnemen, aangezien een hoge alimentatie last het toekomst perspectief van de betalende partij voor zeker 10 jaar zal bepalen, zal deze zeker elke kans aangrijpen om naar de rechter te stappen. Zeker als deze de alimentatie niet kan betalen of de hoogte van de alimentatie als onredelijk zal ervaren.
  • De huidige trema norm is vele jaren oud, de rechterlijke macht stelt deze uit praktijk samen en er bestaat voor jurisprudentie De nieuwe organisatie zal zeker veel aanloopprobelen hebben zeker als het gaat om zelfstandige ondernemers of mensen met een freelance inkomen.
  • Er zal in veel gevallen in ernstige strijd met het rechtvaardigheidsgevoel komen wanneer bijvoorbeeld een enorme inkomensverbetering bij de vader tot geen enkele positieve consequentie voor het kind leidt, en andersom wanneer iemand lange tijd werkeloos is toch een forse alimentatie moet blijven betalen omdat het ten tijde van de vaststelling van de alimentatie erg goed ging.
  • Als verzorging van het kind een betaalde baan zal worden zal de strijd om de kinderen losbarsten. Zeker als de verzorgende ouder weer gaat samenwonen met een werkende partner zal deze een betaalde baan (door de ex partner) hebben aan het verzorgen en opvoeden van de kinderen. Hierdoor zal de motivatie om te gaan werken helemaal verdwijnen. Ook is dit niet eerlijk tegenover alle gehuwde personen die voor het verzorgen van hun kinderen geen enkele vergoeding krijgen. Het loont zich dus om te gaan scheiden.
  • Naar mijn mening zou in de wet de voorkeur voor verzorgingstijd ten opzichte van een vergoeding moeten staan zodat niet de ene partner kan beslissen dat deze voor het geld gaat in plaats van de verzorgingstijd.



Samenvatting van het rapport het kind centraal.

Bron: Internet

Huidige situatie

Het huidige beleid voor de vaststelling van kinderalimentatie kan leiden tot een ongelijke verdeling van lasten tussen de verzorgende en niet-verzorgende ouder. De bescherming van het inkomen van de alimentatieplichtige ten koste van de alimentatiegerechtigde, het feit dat bij de behoeftebepaling van het kind geen rekening wordt gehouden met de verzorgingskosten en de geringe naleving van de alimentatieplicht hebben als gevolg dat de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind in aanzienlijke mate op de verzorgende ouder en de gemeenschap worden afgewenteld. Dit eindrapport van het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) naar het alimentatiebeleid bevat voorstellen ter verbetering van de vaststelling en inning van kinderalimentatie. Dit rapport concentreert zich op kinderalimentatie, partneralimentatie komt slechts zijdelings aan de orde. Het blijkt dat meer dan de helft (tussen de 43 en 65%) van de gescheiden alleenstaande moeders met kinderen onder de 18 jaar, ondanks de onderhoudsplicht, geen kinderalimentatie ontvangt. Voor nooit gehuwden alleenstaande moeders ligt dit percentage nog hoger. Dat weinig kinderalimentatie wordt ontvangen komt in de eerste plaats omdat geen kinderalimentatie wordt vastgesteld, in de tweede plaats blijkt de inning van kinderalimentatie in het huidige systeem moeilijk afdwingbaar. Problemen bij de inning van de kinderalimentatie drukken voornamelijk op de verzorgende ouder en de gemeenschap. De verzorgende ouder zal actie moeten ondernemen als geen alimentatie is vastgesteld of de betaling stokt en ondervindt de nadelen daarvan. Daarnaast leidt het huidige systeem tot een ontmoediging van de arbeidsparticipatie van beide partners: een inkomensverbetering bij de alimentatieplichtige kan vaak leiden tot een overeenkomstige aanpassing van de alimentatie. Ook zijn veel alimentatiegerechtigden aangewezen op de bijstand. Alleen bij het aanvaarden van een baan die voldoende inkomen genereert (voor de doelgroep zal dit veelal een volledige baan betekenen) is het mogelijk om uit de armoedeval te ontsnappen. De gesignaleerde knelpunten in het huidige beleid zijn aanleiding om na te denken over alternatieve meer transparante methoden voor de vaststelling van de hoogte van kinderalimentatie en "de inning" ervan.

Uitgangspunten voor de toekomst

Na inventarisatie van de knelpunten heeft de werkgroep een viertal uitgangspunten geformuleerd voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie in de toekomst:

  • Een gelijke verantwoordelijkheid van beide ouders. Beide ouders zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de zorg van hun kinderen, ook als zij geen gemeenschappelijk huishouden (meer) voeren;
  • Het waarborgen van de financiële rechten van het kind. De financiële verzorging van de kinderen dient ook na de echtscheiding (*) gewaarborgd te zijn; (* onder echtscheiding wordt ook iedere andere beëindiging van samenleving van ouders van kinderen verstaan.)
  • De ontvlechting van financiële belangen. Ouders willen na een scheiding of nadat besloten is geen gezamenlijk huishouden (meer) te voeren, onafhankelijk van elkaar verder. Zonder de verantwoordelijkheid van de niet-verzorgende ouder teniet te doen, zou bij de vormgeving van de kinderalimentatie zoveel mogelijk rekening gehouden moeten worden met de ontvlechting van financiële belangen van ouders;
  • De naleving van de onderhoudsplicht ten aanzien van onderhoud en verzorging van het kind. Ter bescherming van het kind en ter voorkoming van afwenteling van de kosten voor onderhoud en verzorging van het kind op de verzorgende ouder en collectiviteit, moet de naleving van de onderhoudsplicht gewaarborgd zijn. Dit gebeurt enerzijds door eenvoudige normen voor vaststelling van de hoogte van kinderalimentatie en anderzijds door strikte handhaving van de betaling van eenmaal vastgestelde bedragen voor kinderalimentatie.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten heeft de werkgroep één voorstel voor de handhaving van de betaling uitgewerkt en drie mogelijke voorstellen voor de vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie.

Handhaving van de (vaststelling en inning van) kinderalimentatie

Op dit moment is de handhaving in het alimentatiebeleid versnipperd over drie instanties:

  • de rechter stelt de hoogte van de kinderalimentatie vast als de ouders onderling geen overeenstemming kunnen bereiken;
  • de gemeentelijke sociale dienst handhaaft het nakomen van de onderhoudsplicht als een onderhoudsgerechtigde een uitkering op grond van de algemene bijstandswet aanvraagt;
  • het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen (LBIO) biedt onder voorwaarden ondersteuning aan de verzorgende ouder als de inning van de kinderalimentatie haperingen vertoont.

De rechter komt alleen in beeld als er sprake is van een echtscheidingsprocedure of als de ouders een rechtzaak aanspannen voor de vaststelling van kinderalimentatie. Het inschakelen van de rechter kan voor betrokken een drempel betekenen. De gemeentelijke sociale dienst verhaalt alleen als de alleenstaande ouder bijstandsgerechtigd is. Als de verzorgende ouder economische zelfstandig is, biedt enkel het LBIO steun. Het LBIO stelt echter voorwaarden voor bemiddeling. Zonder rechtelijke vaststelling biedt het LBIO de verzorgende ouder geen hulp bij de inning van kinderalimentatie. Door het feit dat de rechter, gemeentelijke sociale dienst en het LBIO alleen voor bepaalde groepen en onder bepaalde voorwaarden activiteiten ondernemen op het gebied van de vaststelling en inning van kinderalimentatie, bereiken deze instanties slechts een deel van de alimentatiegerechtigden. De werkgroep stelt voor de activiteiten van deze drie instanties op het gebied van kinderalimentatie samen te bundelen en door één instantie te laten plaatsvinden waar alle betrokkenen terecht kunnen. Deze instantie wordt in dit rapport het "intermediair" genoemd. Het intermediair moet laagdrempelig zijn en hulp kunnen bieden bij zowel de vaststelling als de inning van de kinderalimentatie. Als ouders zelfstandig tot overeenstemming over de kinderalimentatie kunnen komen is inmenging door het intermediair niet noodzakelijk. Als de ouders echter niet tot overeenstemming kunnen komen of op verzoek van (één van de) ouders regelt het intermediair de vaststelling en inning van de kinderalimentatie. Het intermediair zou vergaande bevoegdheden moeten hebben, zoals de bevoegdheid voor administratieve vaststelling van de kinderalimentatie en loonbeslag bij de alimentatieplichtige. De gemeentelijke sociale dienst verwijst de belanghebbende naar het intermediair ter vaststelling van de kinderalimentatie. De werkgroep heeft zich gerealiseerd dat ook bij de voorgestelde wijze van alimentatievaststelling door betrokken ouders beroep aangetekend kan worden bij de rechter. De juridische beroepsgang moet mogelijk blijven. Tevens is het denkbaar dat via hardheidsclausules een zekere ruimte in de toepassing van de regelgeving wordt geschapen. Indien hiervoor wordt gekozen adviseert de werkgroep de mogelijkheden voor beroep op de hardheidsclausule duidelijk en restrictief te omschrijven.

Vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie

Om de ontvangst van kinderalimentatie door alimentatiegerechtigden te doen verbeteren is naast ondersteuning van het intermediair bij de vaststelling en inning van de alimentatie, ook aanpassing van de normen noodzakelijk. De huidige normen blijken een ongelijke verdeling van lasten tussen verzorgende en niet-verzorgende ouder niet te voorkomen. Naar mening van de werkgroep moet de kinderalimentatie (door ouders zelf of op verzoek door het intermediair) eenvoudig vast te stellen zijn. De kinderalimentatie wordt in de voorstellen van de werkgroep opgebouwd uit een onderhoudsdeel en een verzorgingsdeel. De leidende gedachte bij deze onderdelen is dat beide ouders evenredig moeten bijdragen aan de kosten van kinderen. Voor zowel het onderhouds- als het verzorgingsdeel zouden door de overheid vastgestelde normen moeten gelden. Voor het verzorgingsdeel is primair vertrekpunt dat beide ouders evenveel verzorgingstijd leveren. In die norm-situatie vindt er in wezen "in natura"-betaling plaats. In veel gevallen is dit niet mogelijk of niet wenselijk en wordt de "in natura"-betaling omgezet in een financiële transactie. De niet-verzorgende ouder moet dan verzorgingstijd financieren. Voor de normering hiervan kan aangesloten worden bij de adviestabellen van het ministerie van VWS voor de ouderbijdrage kinderopvang. Nadere uitwerking hiervan is op zijn plaats, maar voorop moet staan dat de normen eenvoudig en eenduidig zijn. De door de overheid vastgestelde norm voor het onderhoudsdeel van de kinderalimentatie is afhankelijk van het aantal kinderen waarvoor alimentatie verschuldigd is. In beleidsvariant A heeft de werkgroep een vaste minimum norm voor de onderhoudskosten centraal geplaatst, en is uitgegaan van éénmalige vaststelling op het moment van scheiding. In twee nadere varianten is een grotere inkomensafhankelijkheid van de onderhoudskosten vormgegeven, alsmede een mogelijkheid tot bijstelling wanneer het kind een bepaalde leeftijd bereikt. Eenmalige vaststelling van de alimentatie komt tegemoet aan de wens van ouders hun financiële belangen blijvend te ontvlechten en vereenvoudigt de alimentatievaststelling. Om die redenen is de werkgroep van mening dat terughoudend moet worden omgegaan met het (periodiek) wijzigen van een eenmaal vastgestelde alimentatie. Anderzijds maakt eenmalige vaststelling de alimentatie zeer gevoelig voor specifieke omstandigheden op het moment van vaststelling. Inkomensveranderingen van de niet-verzorgende ouder werken dan na de scheiding op geen enkele wijze door in de te betalen kinderalimentatie. Daarom is in beleidsvariant C de mogelijkheid gegeven voor een beperkt aantal wijzigingsmomenten.

De drie beleidsvarianten

Beleidsvariant A betekent voor de vaststelling van de kinderalimentatie:

  • minimale door de overheid vastgestelde inkomensonafhankelijke normen voor de onderhoudscomponent in de kinderalimentatie;
  • een norm voor de verzorgingscomponent ter hoogte van 50% van de eigen bijdrage kinderopvang (conform de adviestabellen van het ministerie van VWS) op basis van het individuele inkomen van de niet-verzorgende ouder;
  • eenmalige vaststelling, waarna de kinderalimentatie niet meer wordt aangepast behoudens indexering aan de prijsontwikkeling.

Beleidsvariant B is gelijk aan beleidsvariant A behoudens dat de onderhoudscomponent in de kinderalimentatie gestaffeld wordt naar het inkomen van de niet-verzorgende ouder.

Beleidsvariant C neemt beleidsvariant B als vertrekpunt. In plaats van eenmalige vaststelling wordt in deze variant echter de kinderalimentatie op het 4e, 12e en 18e jaar van het kind aangepast aan de dan geldende onderhouds- en verzorgingskosten. Dit betekent dat op deze drie momenten, naast de leeftijd van het kind, ook het meest recente inkomen van de niet-verzorgende ouder opnieuw in beschouwing wordt genomen om de onderhouds- en verzorgingskosten van het kind te bepalen. Er is nadrukkelijk niet gekozen voor een jaarlijkse aanpassing aan het inkomen van de niet-verzorgende ouder. Dit zou de vaststelling van de kinderalimentatie bijzonder gecompliceerd en tijdrovend maken, en een financiële en emotionele afhankelijkheid scheppen die de partners door scheiding nu juist wilden doorbreken. Wordt ondanks deze bezwaren toch gekozen voor periodieke aanpassing van de eenmaal vastgestelde kinderalimentatie, dan beveelt de werkgroep aan hierbij aan te sluiten bij dié leeftijden van het kind waarop de verzorgingskosten veranderen. Door het beleid ten aanzien van kinderalimentatie op bovenstaande wijze vorm te geven zullen meer alimentatiegerechtigden kinderalimentatie ontvangen. Dit doet recht aan de financiële rechten van het kind en kan de inkomenspositie van alleenstaande ouders verbeteren.

Kosten en opbrengsten

Aan de oprichting van het intermediair zijn kosten verbonden. Ondanks het feit dat de betrokken ouders een kostenvergoeding gevraagd zal worden voor bemiddeling, verwacht de werkgroep dat er structurele kosten gemaakt zullen moeten worden voor de oprichting van het intermediair. Daar tegen over staan besparingen bij de rechterlijke macht, besparingen bij het huidige LBIO en besparingen op de uitvoeringslasten verhaal bij de gemeentelijke sociale dienst. De mogelijke besparing voor de rechterlijke macht schat de werkgroep op tussen de € 2,3 mln. en € 5 mln. per jaar. Deze kwantificering moet gezien worden als illustratie, die gebaseerd is op veronderstellingen over het aantal alimentatiezaken dat betrekking heeft op kinderalimentatie en de tijdsduur die de rechterlijke macht in een echtscheidingszaak nodig heeft voor het bepalen van de kinderalimentatie. Daarnaast zullen de activiteiten van het LBIO overgenomen worden door het intermediair. Dit betekent een besparing op de uitgaven die nu via het ministerie van Justitie voor het LBIO worden gedaan, circa € 1,5 mln per jaar. Ook zullen er besparingen in de uitvoering van verhaal bij gemeentelijke sociale diensten optreden. Geschat wordt dat deze circa € 13,5 mln per jaar zullen bedragen. De voorstellen zoals door de werkgroep gedaan zullen leiden tot ontvangst van meer kinderalimentatie door alimentatiegerechtigden. Voor alimentatiegerechtigden in de bijstand is het makkelijker om uit te stromen met een (deeltijd)baan en kinderalimentatie , dan zonder ontvangst van kinderalimentatie. Voor bijstandsgerechtigden die niet uitstromen, zal door de ontvangst van kinderalimentatie minder aanvulling vanuit de bijstand benodigd zijn. De werkgroep schat dat de gedane voorstellen een besparing in de Abw van tussen de € 190 mln. en € 338 mln. per jaar teweeg kunnen brengen. Hierbij is ondermeer verondersteld dat de gemiddeld ontvangen kinderalimentatie voor bijstandsgerechtigden op € 150 per maand ligt en de verbetering van de betaling van kinderalimentatie de uitstroom in de Abw zal bevorderen.

Tabel 1: besparingen IBO alimentatiebeleid

Rechterlijke macht € 2,3 - € 5 mln
LBIO € 1,5 mln
Uitvoeringskosten verhaal € 13,5 mln
Abw € 190 - € 338 mln
Totaal € 207,3 - € 358 mln

Voor invoering van de gedane voorstellen zullen wetswijzigingen nodig zijn en de door de overheid vastgestelde normen voor onderhoudskosten van kinderen moeten worden bepaald. Nadat besloten is op welke wijze het beleid ten aanzien van de vaststelling en inning van kinderalimentatie gewijzigd zal worden, is een nadere uitwerking van de voorstellen noodzakelijk.




De volledige tekst van het rapport het kind centraal.

Bron: Internet

Het kind centraal: verantwoordelijkheid blijft Eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid Interdepartementaal beleidsonderzoek.

Klik hier om het pdf bestand te lezen.


Advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

bron: Klik hier om de bron site te bezoeken.

Advies inzake het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid "Het kind centraal: verantwoordelijkheid blijft", een interdepartementaal beleidsonderzoek.

Inleiding

De Minister van Justitie heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, zowel als de Raad voor de Rechtspraak om advies gevraagd betreffende het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid. De wetenschappelijke commissie van de NVvR en het landelijk overleg van sectorvoorzitters van familiesectoren van de rechtbanken (LVO) hebben gezamenlijk dit advies opgesteld.

Als in dit advies wordt gesproken over alimentatieverplichtingen, wordt ervan uitgegaan dat de man alimentatie betaalt en dat de vrouw alimentatie ontvangt.

Voorstel

Het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid (verder te noemen: het rapport) bevat voorstellen tot verbetering van de vaststelling en inning van kinderalimentatie (verder te noemen: alimentatie). Het rapport is opgesteld naar aanleiding van een kabinetsbesluit tot een interdepartementaal beleidsonderzoek naar alimentatiebeleid. Blijkens het rapport doen verzorgende ouders door het uitblijven van de alimentatie een groter beroep op de bijstand dan noodzakelijk is. Er moet één instantie komen die op verzoek van (een van) de ouders kinderalimentatie kan vaststellen en innen. Als betaling uitblijft, zou deze organisatie ook beslag moeten kunnen leggen op het loon van de betalende ouder. Daarnaast moet de hoogte van kinderalimentatie op een eenvoudige manier vastgesteld kunnen worden. Op dit moment wordt de hoogte van kinderalimentatie berekend aan de hand van de draagkracht van de niet-verzorgende ouder en de behoefte van het kind. In het voorgestelde model bestaat de kinderalimentatie uit een onderhoudsdeel en een verzorgingsdeel. De niet-verzorgende ouder draagt een vast bedrag bij aan het onderhoud van het kind. Daarnaast betaalt hij of zij volgens vaste normen voor de zorg die de andere ouder op zich heeft genomen.

Commentaar

De wetenschappelijke commissie heeft met belangstelling kennis genomen van het rapport van de werkgroep. Doelstelling van dit rapport is het oplossen van de hieronder nader omschreven knelpunten: de wetenschappelijke commissie kan zich hier in hoofdlijnen mee verenigen. Echter, op de uitvoering hiervan heeft de wetenschappelijke commissie kritiek, nu de uitgangspunten waarop men de oplossingen baseert niet goed doordacht lijken en tevens te weinig gebaseerd zijn op de rechtspraktijk. Naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie wordt zowel van de beoogde positie verbetering van de kinderen als van de bezuinigingen op uitkeringen en rechterlijke macht teveel verwacht. Daarnaast is het rapport teveel toegespitst op bezuinigingen en ziet het te weinig op verbetering van het huidige alimentatiesysteem.

De teneur van het rapport is dat het mes aan twee kanten snijdt: bezuinigingen op de collectieve uitgaven enerzijds en positieverbetering van het kind anderzijds. De directe effecten zijn dat hoge kosten voor de instelling van het Intermediair moeten worden gemaakt, terwijl het zeer de vraag is of die ooit geld oplevert en dat er een lagere alimentatie voor kinderen van welgestelde ouders zal worden vastgesteld, terwijl niet zeker is of kinderen van ouders met lagere inkomens er beter van worden. Gelet op de constatering dat de uitgangspunten van de werkgroep voor discussie vatbaar zijn, bestaat het gevaar dat alleen de directe bovengenoemde negatieve effecten bewaarheid worden en noch de positie van het kind wordt verbeterd, noch de bezuinigingen gerealiseerd zullen worden.

In dit advies bespreekt de wetenschappelijke commissie de door de werkgroep gesignaleerde knelpunten en aangedragen oplossingen. Hierna doet de wetenschappelijke commissie enkele concrete aanbevelingen, die een minder grote inbreuk op het huidige beleid vormen. Deze zullen naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie eerder maatschappelijk worden geaccepteerd en de verwachting is dat zij een rechtvaardiger resultaat zullen opleveren voor het kind, de ouders en de gemeenten.

Knelpunten volgens de werkgroep met kanttekeningen

De werkgroep signaleert in het rapport een drietal knelpunten in het huidige alimentatiebeleid. Hieronder worden deze knelpunten kort samengevat, vervolgens plaatst de wetenschappelijke commissie hierbij enige kanttekeningen.

A Ongelijke verdeling van de lasten

De werkgroep merkt op dat de lasten ongelijk verdeeld zijn tussen de alimentatieplichtige en gerechtigde. De werkgroep ziet hiervoor twee belangrijke redenen:

1 De wijze waarop de draagkracht van de alimentatieplichtige wordt vastgesteld leidt ertoe dat een aanzienlijk aantal lasten van de alimentatieplichtige voorgaat op de te betalen kinderalimentatie. Voorts mag de alimentatieplichtige van de resterende bestedingsruimte een deel vrijhouden. Hierna wordt pas toegekomen aan kinderalimentatie. Als er vervolgens onvoldoende draagkracht is om de kinderalimentatie op het niveau van de genormeerde behoefte van het kind te betalen, ontvangt de verzorgende ouder een te laag bedrag en wordt het inkomen van de alimentatieplichtige beschermd.

2 Bij de vaststelling van alimentatie wordt nauwelijks rekening gehouden met de verzorgingstijd van kinderen. De benodigde verzorgingstijd beïnvloed wel in directe zin de verdienmogelijkheden en dus de inkomenspositie van de verzorgende ouder. De verzorging van kinderen is wel een van de factoren die bij de toekenning van partneralimentatie een rol kan spelen.

B Onvoldoende naleving

Er volgt uit de door de werkgroep geraadpleegde cijfers dat de onderhoudsplicht onvoldoende wordt nageleefd. Dit zou veroorzaakt worden door het niet verzoeken om alimentatie, het ontbreken van draagkracht en het niet betalen van vastgestelde alimentatie, hetgeen consequenties heeft voor het verhaal van bijstand door de gemeenten.

C Ingewikkeld vast te stellen en emotionele vervlechting

De werkgroep stelt dat alimentatie volgens het huidige systeem ingewikkeld vast te stellen is. De alimentatie wordt frequent gewijzigd indien de omstandigheden waarvan is uitgegaan bij de eerste vaststelling van de alimentatie wijzigen, hetgeen naar het oordeel van de werkgroep een belasting oplevert voor de rechterlijke macht. Op dit moment houden naast de rechterlijke macht het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en de gemeentelijke sociale dienst zich voor verschillende groepen bezig met de inning en vaststelling van kinderalimentatie. De werkgroep stelt dat dit te versnipperd is.

Voorts stelt de werkgroep dat de huidige wijze van vaststelling en de mogelijkheid om frequent wijziging te verzoeken een blijvende emotionele en zakelijke betrokkenheid veroorzaakt tussen de gescheiden partners, die zich slecht verstaat met de gewenste economische en emotionele zelfstandigheid.

De wetenschappelijke commissie en het LVO hebben bovenstaande knelpunten besproken en geconstateerd dat de ervaringen uit de rechtspraktijk niet althans in mindere mate overeen stemmen met de bevindingen van de werkgroep. Hieronder plaatst de wetenschappelijke commissie enkele kanttekeningen met betrekking tot de door de werkgroep gesignaleerde knelpunten.

Ad A1

Ook nu wordt het inkomen van de alimentatieplichtige niet beschermd, zoals in het rapport wordt gesteld.

· De alimentatierechter is nu al zeer terughoudend met het rekening houden met lasten aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Ten aanzien van de schulden wordt onderzocht of het een noodzakelijke schuld is waarop wordt afgelost en of deze voor de alimentatieverplichting gaat. Kinderalimentatie dient altijd voor te gaan.

Een uitzondering is wellicht te bedenken voor de schulden die na de ontbinding van het huwelijk danwel de verbreking van relatie moeten worden afgelost. Het zou averechts kunnen werken als betalingen op deze schulden buiten beschouwing zouden worden gelaten, dan zouden de schuldeisers de vrouw immers kunnen aanspreken. Beide partijen hebben daarom baat bij een snelle aflossing van deze schulden.

· De Hoge Raad oordeelt over de lasten van een nieuw gezin dat "het enkele feit dat de vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die van de nieuwe partner achter te stellen."[1]

· Als de alimentatieplichtige niet een deel van de resterende bestedingsruimte mag vrijhouden zal hij minder gemotiveerd zijn om inkomsten te verhogen.

· Als er geen kinderalimentatie wordt betaald, komt dat, zo is de ervaring, meestal doordat de alimentatieplichtige onvoldoende inkomen heeft. Het opleggen van een forfaitaire kinderalimentatie helpt dan niet.

Ad A2

Gesteld wordt door de werkgroep dat indien de niet-verzorgende ouder niet voldoet aan de verzorgingsverplichting, hiermee geen rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de behoefte aan kinderalimentatie. Dit is onjuist. Bij de bepaling van de behoefte wordt naast de forfaitair vastgestelde behoefte rekening gehouden met kosten van kinderopvang indien en voor zover deze gemaakt worden.

Ad B

De werkgroep baseert de veronderstelling dat de onderhoudsplicht onvoldoende wordt nageleefd met name op de bij het rapport behorende bijlage 5. De gegevens uit deze bijlage zijn echter te mager om deze conclusie te kunnen rechtvaardigen en stroken niet met de rechtspraktijk. Overigens biedt het leggen van loonbeslag als er een rechterlijke uitspraak is voldoende mogelijkheden om de alimentatie te innen.

Ad C

Het gesignaleerde probleem van het vaststellen van kinderalimentatie blijkt in de rechtspraktijk niet een zo groot knelpunt te zijn als de werkgroep in haar rapport doet voorkomen. Kinderalimentatie wordt vaak bij de echtscheiding vastgesteld en regelmatig tegelijk met de partneralimentatie. In dat geval kost het de rechter zeer weinig extra tijd. Maar ook indien enkel om kinderalimentatie wordt verzocht is de vaststelling hiervan in het algemeen voor een ervaren rechter weinig tijdrovend. Alimentatievaststelling geschiedt thans volgens voor ieder kenbare normen die door alimentatiegerechtigden en -plichtigen alsmede door de rechterlijke macht en de advocatuur worden geaccepteerd en als rechtvaardig ervaren. Daarnaast geldt dat de vaststelling van de behoefte van de kinderen momenteel geheel niet ingewikkeld is en thans al nagenoeg forfaitair geschiedt.

Ten aanzien van de genoemde emotionele vervlechting kan opgemerkt worden dat als twee mensen samen een kind hebben, hun levens door dit kind vervlochten blijven en de kinderalimentatieverplichting daar slechts in geringe mate toe bijdraagt.

In het rapport wordt gesteld dat verhaal door gemeenten kostbaar en tijdrovend is. Dit ligt waarschijnlijk aan de manier waarop dit gebeurt: gemeenten moeten er eerst achter komen of de bijstand verhaald kan worden op een alimentatieplichtige ouder, vervolgens moeten zij het adres van de ouder achterhalen en hem verzoeken inlichtingen te geven over zijn financiële positie. Als er geen reactie komt, moet de gemeente een verhaalsbesluit nemen. Dan wordt verzocht te betalen. Als er dan nog geen reactie komt, moet een verzoek bij de rechtbank worden ingesteld. Als de zaak dan op de zitting komt, wordt regelmatig geoordeeld dat deze procedure te lang heeft geduurd en dat dat reden is om de ingangsdatum te verschuiven. Ook komt het regelmatig voor dat alimentatieplichtigen kort voor de zitting alsnog reageren en dat dan blijkt dat zij geen draagkracht hebben, zodat het verzoek wordt ingetrokken.

Door de werkgroep aangedragen oplossingen

Hieronder bespreekt de wetenschappelijke commissie eerst de door de werkgroep aangedragen oplossingen. Daarna volgt het standpunt van de wetenschappelijke commissie.

De werkgroep doet, kort gezegd, de volgende aanbevelingen:

  1. Kinderalimentatie is bestemd voor het kind. Keuzes die ouders na een scheiding maken dienen niet van invloed te zijn op de te betalen kinderalimentatie.
  2. De overheid stelt eenvoudige, duidelijke en begrijpelijke normen vast voor minimaal te betalen kinderalimentatie
  3. Kinderalimentatie dient te bestaan uit een vergoeding voor de onderhoudskosten en de verzorgingskosten voor kinderen. Dit doet recht aan de verantwoordelijkheid voor de niet-verzorgende ouder bij te dragen in de kosten van opvoeding van en zorg van het kind.
  4. Het draagkrachtprincipe zoals bij de huidige vaststelling van kinderalimentatie gehanteerd dient vervangen te worden door het principe dat beide ouders altijd bijdragen aan de kosten voor het onderhoud én de verzorging van de kinderen.
  5. In geval van co-ouderschap en gelijke verdeling van zorgtaken kan de kinderalimentatie vervangen worden door bijdragen in natura.
  6. De vormgeving van de kinderalimentatie moet de ontvlechting van financiële belangen van de ouders na hun scheiding danwel beëindiging van de samenleving of het besluit om geen gezamenlijk gezin (meer) te vormen mogelijk maken.
  7. De overheid zorgt ervoor dat, als de vaststelling of inning van de kinderalimentatie haperingen vertoont, (één van de) ouders zich kan/kunnen richten tot een laagdrempelig intermediair voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie.
  8. Het intermediair berekent bij de vaststelling en inning van kinderalimentatie een kostenvergoeding.
  9. Het intermediair heeft verregaande bevoegdheden, zoals administratieve vaststelling van de alimentatie en mogelijkheid tot het leggen van loonbeslag bij de alimentatieplichtige.
  10. De verzorging van het kind of meer kinderen dient niet langer een factor te zijn bij de vaststelling van partneralimentatie.

Standpunt van de wetenschappelijke commissie

De wetenschappelijke commissie constateert dat de ervaringen in Duitsland met, of vergelijkend onderzoek naar een soortgelijk stelsel van vaststelling en inning van kinderalimentatie in het rapport niet zijn gebruikt ter motivering van de keuze voor het stelsel.

Daarnaast heeft de wetenschappelijke commissie de volgende bezwaren tegen het door de werkgroep voorgestelde stelsel.

· Met betrekking tot de eerste aanbeveling merkt de wetenschappelijke commissie op dat die zich slecht verhoudt met het uitgangspunt van de contractsvrijheid van partijen, welke het rapport tevens voorstaat. Dit lijkt tegenstrijdig.

· De samenvoeging van vaststellende en innende taak lijkt principieel onjuist. Te denken valt aan budgettering van de betreffende instantie aan de hand van resultaatgericht werken (hoeveel geld halen zij binnen).

· Er kan wel een forfaitaire bijdrage worden vastgesteld, maar dat wil nog niet zeggen dat die ook kan worden betaald. Het is het verleggen van het probleem: wat als de forfaitair bepaalde bijdrage met afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule niet wordt betaald of kan worden betaald, mag dan beslag worden gelegd tot onder de beslagvrije voet? Een rigide systeem zoals in de eerste variant wordt voorgesteld zal de alimentatieplichtige in de problemen brengen. Met een hardheidsclausule zal veelvuldig beroep op de rechter worden gedaan. Als de alimentatieplichtige niet kan betalen zal hij de alimentatieplicht als onredelijk ervaren.

· Een verbetering van de vaststelling en inning van bijstandsverhaal door de gemeenten zou ook al heel wat kunnen oplossen. Uit het rapport blijkt dat in slechts 22 % van de gevallen waarin de bijstandsgerechtigde aanspraak zou kunnen maken op kinderalimentatie deze aanspraak wordt gerealiseerd[2]. Kennelijk laten de gemeenten nogal wat verhaal zitten, ondanks de verplichting tot verhaal. Met de beschikking kunnen de alimentatiegerechtigde of de gemeente middels de deurwaarder nu op eenvoudige wijze beslag laten leggen op loon of bezittingen van de alimentatieplichtige.

· De wetenschappelijke commissie vraagt zich voorts af of een "intermediair" wel in staat is om in de lastige zaken snel en goed een bijdrage vast te stellen. De zelfstandige ondernemers, om maar een voorbeeld te noemen, zullen toch een bron van geschillen blijven, zeker bij de vaststelling van het inkomen. Bij de twee laatste in het rapport genoemde varianten[3] wordt de bijdrage afhankelijk van het inkomen vastgesteld. Het vaststellen van het inkomen echter, maakt vaak al meer dan de helft van de "ingewikkelde" bepaling van de alimentatie uit. Voorgesteld wordt om het belastbaar inkomen als uitgangspunt te nemen. Ook hier is echter sprake van een redelijk ingewikkelde berekening, nu de adviestabellen voor ouderbijdrage 2002 uit gaan van het verzamelinkomen[4].

· Bepaald een probleem zou zijn de variant waarbij eigenlijk geen aanpassing van het eenmaal vastgestelde bedrag mogelijk is. Het zal in veel gevallen in ernstige strijd met het rechtvaardigheidsgevoel komen wanneer - bijvoorbeeld - een enorme inkomensverbetering bij de vader tot geen enkele positieve consequentie voor het kind leidt, en andersom wanneer een faillerende vader toch een forse alimentatie moet blijven betalen omdat het ten tijde van de vaststelling daarvan zo goed ging bijvoorbeeld in de IT-branche waarin hij werkte.

· De alimentatieplichtige behoudt een prikkel om inkomen te verhogen door behoud van een vrij besteedbaar deel, waardoor de onderhoudsbijdrage voor kinderen vervolgens kan worden verhoogd. Bij het wegvallen van de prikkel zal de alimentatiegerechtigde minder inspanning leveren om zijn inkomen te verhogen.

· De vraag is of de aan het op te richten intermediair verbonden kosten zullen opwegen tegen de besparingen bij de rechterlijke macht. De rechterlijke macht heeft op dit moment reeds alle expertise in huis om onderhoudsbijdragen vast te stellen en dat blijft zo, omdat ook onder de voorgestelde regeling partneralimentatie door de rechter dient te worden vastgesteld. Het meerwerk voor kinderalimentatie moet niet worden overdreven. Thans is het aantal wijzigingsverzoeken beperkt en wordt kinderalimentatie meestal in de echtscheidingsprocedure tegelijk met de ex-partneralimentatie vastgesteld. Gescheiden vaststelling van partner- en kinderalimentatie kan wel eens meer werk opleveren. De rechtbank zal bij het vaststellen van ex-partneralimentatie rekening moeten houden met het vast te stellen bedrag aan kinderalimentatie door de Intermediair. Bij een beroep op de hardheidsclausule zal de rechtbank vervolgens de kinderalimentatie moeten toetsen en daarna eventueel de ex-partneralimentatie, al dan niet met terugwerkende kracht, moeten aanpassen.

· De maatregelen die nu voorgesteld worden zijn bedoeld om de situatie te verbeteren van de groep alimentatiegerechtigden die een bijstanduitkering hebben. Zij werken echter door bij de grote groep kinderalimentatiegerechtigden die geen bijstandsuitkering hebben. De voorgestelde maatregelen lijken niet erg voordelig uit te werken voor deze laatste groep, nu de hoogte van de forfaitaire kinderalimentatie lager lijkt uit te vallen dan bij vaststelling op de huidige wijze.

· De wetenschappelijke commissie acht het onwenselijk dat wordt uitgegaan van de norm van verdeling van zorg voor kinderen over de werkweek, nu deze norm vaak niet in het belang van het kind zal zijn. In de meeste gevallen is het niet in het belang van de kinderen om elke helft van de week te worden verplaatst naar een andere woonomgeving.

· Een vergoeding voor niet in natura geleverde zorg door de alimentatieplichtige ouder nodigt uit tot het aanbieden van die zorg door deze als "goedkoop" alternatief, terwijl het de praktijk is co-ouderschap slechts een werkbare optie is indien er goede afspraken tussen partijen zijn gemaakt en er tevens nog een goede verstandhouding aanwezig is. Indien zulks niet het geval is, zal co-ouderschap leiden tot conflicten en geschillen met betrekking tot het ouderlijk gezag.

Het lijkt niet juist om omgang of co-ouderschap op te koppelen aan de kinderalimentatie. Daardoor ontstaat juist een grote mate van "vervlechting". Overigens wordt, indien ook partneralimentatie wordt betaald, geen ontvlechting bereikt door forfaitaire vaststelling van kinderalimentatie.

· Een koppeling tussen hoogte van de zorgbijdrage en inkomen van de alimentatieplichtige zal in veel gevallen worden ervaren als een verkapte partneralimentatie, met name in die gevallen waarin de verzorgende ouder een nieuwe relatie heeft, niet van plan is te gaan werken of een aanzienlijk lager inkomensniveau heeft dan de niet-verzorgende ouder.

· Er is bij de rechtbanken een behoorlijke expertise opgebouwd, die moet blijven bestaan ten behoeve van de gevallen waarin de hardheidsclausule getoetst moet worden en voor de ex-partneralimentatie. Het zal een zeer kostbare zaak worden om een instantie te vormen die alimentatie kan vaststellen en innen. Daarnaast lijken de huidige methoden van inning via een deurwaarder of het LBIO zeer eenvoudig en niet snel te verbeteren door een nieuw orgaan. Ervan uitgaande dat een nieuw stelsel tot beperking van maatschappelijke en collectieve lasten zou moeten leiden, lijkt het oprichten van een nieuwe ambtelijke instantie het paard achter de wagen spannen, zeker waar alle expertise reeds bij de rechter voorhanden is en geen onderzoek is gedaan naar de te verwachten positieve effecten in financiële zin van de voorstellen. Als er al een ander inningsorgaan moet komen, zou gekozen kunnen worden voor de Raad voor de Kinderbescherming in verband met de te verwachten problemen rond de verzorging en omgang of voor de Belastingdienst in verband met de eenvoudige toegang tot inkomensgegeven en inningsmogelijkheden. Het is echter de vraag of deze instanties met deze taak belast willen worden.

· Als de alimentatieplichtige een inkomen heeft op bijstandsniveau, heeft het opleggen van een alimentatieverplichting weinig zin, omdat de geringste kinderalimentatie ervoor zal zorgen dat hij minder kan besteden dan het bestaansminimum. Er kan dan ook geen beslag gelegd worden. Op grond van gegevens uit Denemarken lijkt het erop dat een systeem zoals voorgesteld slechts werkt ingeval van lage bijdragen met zomin mogelijk gelegenheid tot bijstelling.

Diverse opmerkingen

Proportionaliteit en subsidiariteit

Voorkomen moet worden dat het systeem tot vaststelling van kinderalimentatie wordt gebruikt voor een probleem dat ligt op het terrein van de uitvoering van de algemene bijstandswet en bezuinigingen in het algemeen. Voorts is onvoldoende onderzocht of minder verstrekkende maatregelen zoals hieronder aanbevolen, niet tenminste tot hetzelfde resultaat kunnen leiden. Overigens acht de wetenschappelijke commissie het niet waarschijnlijk dat de voorgestelde maatregelen tot bezuinigingen zullen leiden.

Effectiviteit

Ook de vaststelling van forfaitaire alimentatie zal de nodige problematiek met zich meebrengen. Ondanks dat een juridische beroepsgang mogelijk blijft, doet de introductie van hardheidsclausules (b.v. door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, faillissement, schuldsanering etc.) vermoeden dat alsnog maatwerk moet worden geleverd, zoals naar verluid in Duitsland ook het geval is. De voorstellen zijn op dit onderdeel niet concreet uitgewerkt.

Acceptatie

In het voorstel komt er een Intermediair die een belastingdienstachtige aanpak heeft. Deze stelt vast en int, en wie het er niet mee eens is stapt naar de rechter. Zeker als het forfaitaire systeem gevoelsmatig onredelijke uitkomsten heeft (en dat zal het zeker hebben bij alimentatieplichtigen als de bedoeling wordt gerealiseerd namelijk meer alimentatie binnenhalen), zal men de rechter blijven vinden. Wellicht is dat een snel afnemende zaak wanneer de rechters dezelfde harde forfaitaire aanpak hanteren als het Intermediair, maar aan een hardheidsclausule zal niet te ontkomen zijn. Verwachtingen omtrent besparingen zijn dan ook te hoog gespannen. Het huidige systeem van maatwerk is zo gegroeid vanuit de vragen uit de praktijk.

Problemen zijn te verwachten in die gevallen waarin de verzorgende ouder een nieuwe relatie aangaat met een gefortuneerde partner. De opgelegde bijdrage zal dan verworden tot partneralimentatie. Het in rekening brengen van verzorgingstijd kan worden voorkomen door zorg in natura, welke "goedkope" variant bij voorkeur zal worden gekozen. Hierboven is hier al aandacht aan besteed.

Bezuinigingen

Dat de op zich niet nieuwe voorstellen thans worden gedaan, is mogelijk gemaakt door de politieke wens bezuinigingen te realiseren. De voorstellen zijn er namelijk op gericht verzorgende ouders (meestal moeders) uit de bijstand te houden of te krijgen. Volgens het eindrapport zullen de besparingen in 2006 ten minste 190 miljoen euro per jaar bedragen, een niet onderbouwde aanname. Op geen enkele wijze worden de schattingen inzichtelijk gemaakt.

Overgangsrecht

De wetenschappelijke commissie adviseert -met name in het kader van de rechtszekerheid- aandacht te schenken aan het overgangsrecht.

Aanbevelingen

De wetenschappelijke commissie is van mening dat de beoogde doelstellingen eerder op een andere wijze behaald kunnen worden en doet hiertoe de volgende aanbevelingen.

· Het percentage van de draagkracht dat aan kinderalimentatie wordt besteed zou kunnen worden verhoogd, eventueel tot 100 % van de draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie. De kans bestaat dan wel dat de alimentatieplichtige niet (meer) gaat werken, omdat hetgeen hij daarmee verdient rechtstreeks naar de moeder of de sociale dienst gaat.

· "Luxe lasten" zoals pensioenpremies, tandartskosten, begrafenisverzekeringspremies e.d. zouden bij de bepaling van de draagkracht tot het betalen van kinderalimentatie buiten beschouwing gelaten kunnen worden (algemene herijking alimentatienormen).

· Kinderalimentatie dient preferent te zijn (bij faillissement en voor de WSNP).

· Het probleem van de in het rapport genoemde verhaalsval moet opgeheven worden. Als er geen kinderalimentatie is vastgesteld, maar wel een verhaalsbijdrage, zou de alimentatiegerechtigde deze beschikking ook buiten de bijstand moeten kunnen gebruiken. De rechter dient dan wel te splitsen tussen een bijdrage ten behoeve van het kind en ten behoeve van de ex-partner.

· Een mogelijke oplossing voor het door de werkgroep geconstateerde probleem van het frequent wijzigen van de alimentatie zou kunnen liggen in het herformuleren van art. 1:401 BW in die zin dat wijzigingsverzoeken kinderalimentatie een apart regime kennen. Bepaald zou kunnen worden dat de hoogte van de kinderalimentatie slechts gewijzigd kan worden in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd.

· Enerzijds wordt in het rapport gesteld dat kinderalimentatie een recht is van het kind en dat keuzes die ouders maken na de echtscheiding niet van invloed moeten zijn op de hoogte van de te betalen kinderalimentatie. Anderzijds wordt gesteld dat als ouders zelfstandig tot overeenstemming kunnen komen, inmenging door de Intermediair niet noodzakelijk is. Dat is tegenstrijdig. Kinderalimentatie kan in het kader van bijstandsverhaal (zie artt. 93 en 94 Abw) reeds ambtshalve getoetst worden. Bijstand wordt pas verstrekt op het moment dat aangetoond is, dat de eerste stappen tot de procedure zijn gemaakt.

· Een van de problemen die naar voren komt in het onderzoek is dat gemeenten een omslachtige weg moeten volgen om bijstand te kunnen verhalen. Wellicht is het mogelijk om besluiten tot verhaal, nadat de termijn voor bezwaar en of beroep ongebruikt is verstreken, direct executabel te maken. In een dergelijk geval kan de gemeente in een veel eerder stadium beslag leggen op loon of bezittingen. Een ander voordeel is dat alimentatieplichtigen veel eerder zullen reageren als zij weten dat er anders beslag wordt gelegd.

· Schulden welke na de ontbinding van het huwelijk danwel de verbreking van de relatie door de alimentatieplichtige worden afgelost kunnen ertoe leiden dat kinderalimentatie op nihil of een lager bedrag is gesteld. De wetenschappelijke commissie acht het raadzaam dat die schulden in dat geval in de beschikking worden opgenomen met een bepaling daarbij wanneer, op basis van de hoogte van de schuld en de te verrichten aflossingen, er weer ruimte zal ontstaan voor kinderalimentatie, alsmede de hoogte daarvan.

Conclusie

De wetenschappelijke commissie is van oordeel dat het rapport nauwelijks voorstellen bevat die als een verbetering beschouwd kunnen worden, nu de voorstellen tot minder maatwerk en flexibiliteit leiden. Daarnaast wordt het huidige systeem van vaststelling op grond van draagkracht en behoefte ten onrechte geschrapt, terwijl de noodzaak daarvan niet is aangetoond. De voorstellen zullen naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie maatschappelijk slecht geaccepteerd worden, mede doordat de uitgangspunten onvoldoende doordacht en uitgewerkt zijn.

De wetenschappelijke commissie adviseert de in het rapport voorgestelde wijzigingen van het familie en jeugdrecht niet in wetgeving om te zetten.

Den Haag, 20 november, het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de wetenschappelijke commissie.




Links.



Persberichten.

Justitie.nl 09 Juni 2004.

Kinderalimentatie vaststellen met tabel

Op 18 maart jl. is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel herziening kinderalimentatiestelsel ingediend. De bedoeling is dat een kinderalimentatie voortaan forfaitair wordt vastgesteld, dat wil zeggen aan de hand van een tabel die bij algemene maatregel van bestuur wordt neergelegd. Het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) moet de kinderalimentatie gaan vaststellen.

Aanleiding voor het wetsvoorstel was het Interdepartementaal beleidsonderzoek alimentatiebeleid (IBO), waarvan het eindrapport op 12 juni 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Sylvia Wortmann schreef hier al eerder over in Perspectief (nr. 5, juli 2002). Uit het IBO-rapport bleek - kort gezegd - dat het bestaande kinderalimentatiestelsel vaak resulteert in onevenredige financiële lasten voor de verzorgende ouder (meestal vrouw) na een echtscheiding of beëindiging van een relatie. Doordat alleenstaande ouders geen kinderalimentatie ontvangen of vragen, doen zij vaker een beroep op de bijstand dan noodzakelijk zou zijn bij een gelijkere verdeling van de lasten na de scheiding.

In lijn met de voorstellen uit het IBO-rapport maakt het wetsontwerp de kinderalimentatie voortaan niet meer afhankelijk van de individuele behoefte van het kind en de individuele draagkracht van de ouders. In plaats daarvan wordt de kinderalimentatie in het nieuwe stelsel berekend aan de hand van een forfaitaire tabel, die wordt neergelegd in een algemene maatregel van bestuur. Verder wordt het LBIO belast met het vaststellen van de kinderalimentatie. Voorwaarde is wel dat de alimentatieplichtige en de alimentatiegerechtigde beiden in Nederland wonen. In die gevallen waarin er een rechterlijke procedure loopt over een scheiding (van tafel en bed) of het gezag over een kind, kan de rechter worden gevraagd de kinderalimentatie vast te stellen. De inningstaken van het LBIO blijven ongewijzigd.

Voorrang voor kinderen

Op basis van bovengenoemde tabel kunnen de ouders onderling, de rechter of het LBIO op eenvoudige wijze vaststellen welk bedrag een alimentatieplichtige ouder per maand verschuldigd is. De bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Uit dit CBS-onderzoek komt namelijk naar voren dat bij een bepaald inkomen en een bepaald aantal kinderen ouders een bepaald percentage van hun inkomen aan de kinderen besteden. Op deze manier is in het nieuwe stelsel - impliciet - nog rekening gehouden met de draagkracht van de ouders.

De memorie van toelichting spreekt de verwachting uit dat er in meer gevallen dan nu een kinderalimentatie wordt vastgesteld, omdat andere verplichtingen geen voorrang meer zullen hebben op de verplichting ten opzichte van de kinderen. Ook wordt verwacht dat het nieuwe stelsel door zijn helderheid zal leiden tot minder spanningen tussen de ouders. Immers, de individuele beschikbare draagkracht speelt in principe geen rol meer en er hoeft niet meer met allerlei aftrekposten rekening gehouden te worden. Hierdoor zal er minder aanleiding voor discussie zijn en zullen ouders veel beter in staat zijn zelf afspraken te maken over de kinderalimentatie.

Hardheids- en wijzigingsclausule

Het vastgestelde alimentatiebedrag wordt - net als nu - jaarlijks van rechtswege geïndexeerd met een door de minister van Justitie vast te stellen percentage. De forfaitaire vaststelling vindt eenmalig plaats. Om in individuele gevallen een onevenredig bedrag te kunnen corrigeren, zijn in de wet een hardheids- en een wijzigingsclausule opgenomen. Afwijking van de tabel op grond van de hardheidsclausule is alleen mogelijk als toepassing van de tabel, gelet op de draagkracht van de onderhoudsplichtige of de behoefte van het kind, ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ zou zijn. Voor wijziging geldt dezelfde maatstaf: die is slechts mogelijk als er sprake is van een zo ingrijpende verandering van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ zou zijn. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval als een ouder door de betaling van kinderalimentatie minder dan 70 procent van het netto minimumloon overhoudt voor zijn levensonderhoud. De hardheids- en wijzigingsclausule zullen dus slechts bij hoge uitzondering en alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden toegepast.

Het woord is nu aan de Tweede Kamer.

Maril Gelauff

Mw. mr. Maril Gelauff is wetgevingsjurist bij de directie wetgeving, sector privaatrecht van het ministerie van Justitie.



Alimentatie.nl 2 juni 2004.

Laatste ontwikkeling Wetsvoorstel herziening kinderalimentatiestelsel

Motie van De Pater-Van der Meer c.s. tot verzoek het wetsvoorstel in te trekken.

Huidig stelsel kinderalimentatie

Het huidige alimentatiestelsel is gebaseerd op een ouderplicht om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. Voor de "jong-meerderjarigen" van 18-21 jaar geldt een voortgezette onderhoudsplicht die inhoudt dat ouders de kosten voor levensonderhoud en studie moeten betalen. Ouders kunnen na een scheiding zelf afspraken maken over kinderalimentatie. Als zij deze niet maken kan een rechter bij echtscheiding of later een bedrag vaststellen. Dit bedrag is enerzijds afhankelijk van de behoefte van het kind en anderzijds de draagkracht van de ouder. Als een alimentatieplichtige ouder niet betaalt, kan de andere ouder -mits het bedrag is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak- voor de inning terecht bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO).

Wetsvoorstel

Het wetsvoorstel 29480 beoogt dit stelsel te veranderen. Er wordt gestreefd naar een eenmalig forfaitair vastgesteld bedrag, dat jaarlijks wordt geïndexeerd. Het te betalen bedrag wordt afhankelijk gesteld van het inkomen van de alimentatieplichtige ouder en het aantal kinderen dat in gezinsverband leeft. De voordelen van dit stelsel zijn onder andere de eenvoud ervan en de vergroting van de voorspelbaarheid. Het bedrag kan volgens het voorstel zowel door het LBIO als door de rechter worden vastgesteld.

Motie tot intrekking wetsvoorstel

Begin juni is door Marleen de Pater -van der Meer c.s. een motie ingediend tot intrekking van het wetsvoorstel. In een eerder debat over het wetsvoorstel gaf zij een aantal redenen aan.

Een punt betrof het forfaitair vast te stellen bedrag voor kinderalimentatie. Bij de kinderbijslag wordt ervan uitgegaan dat verschillende leeftijdscategorieën verschillende onderhouds- en verzorgingskosten met zich meebrengen. Volgens haar zou het nieuwe kinderalimentatiestelsel bij voorbaat met deze categorieën rekening moeten houden.

Marleen de Pater -van der Meer

Een ander punt betrof de eenduidigheid. Pleitte Minister Donner eerder nog dat de rechter de enige juiste persoon is die over een scheiding mag oordelen, in het wetsvoorstel over kinderalimentatie introduceert hij naast de rechter een tweede autoriteit: het LBIO. Daarmee wordt het LBIO een gelijkwaardige partner naast of substituut van de rechter. Marleen de Pater wenst eenduidigheid: "Laat de rechter uiteindelijk de uitspraak over de te verrekenen kinderalimentatie binnen de afspraken in het ouderschap toetsen. Dit bevordert de overzichtelijkheid in een toch al problematische situatie als scheiding en het maakt een aantal nu voorgestelde wetsartikelen in deze wet overbodig. Minder regels, weet u wel!" Over de motie is tot op heden nog niet gestemd.



Nu.nl 25 juni 2004.

Kamer botst hard met Donner over alimentatie

DEN HAAG - Zoals een kibbelend echtpaar in scheiding is minister Donner van Justitie donderdag hardhandig in de clinch geraakt met de Tweede Kamer over een nieuw systeem van alimentatie voor kinderen. De Kamer wees unaniem en faliekant het wetsvoorstel af maar Donner weigerde het direct in te trekken, tot grote ergernis van de fracties.

De minister begon daarop gewoon met de uitleg van het nieuwe stelsel, dat ertoe moet leiden dat kinderalimentatie voortaan standaard naar inkomen wordt berekend. "De minister doet voorkomen dat de Kamer het niet weet of begrijpt maar er is sprake van een fundamenteel verschil van mening", verwoordde Dittrich van D66 de ergernis.

Alimentatiestelsel

De Kamer denkt dat zo'n forfaitair alimentatiestelsel, wat de kern is van het wetsvoorstel, niet goed uitpakt. Daarnaast hadden de fracties nog meer uiteenlopende kritiek. Ook de Raad van State, de rechters en gemeenten waren eerder al negatief over het wetsvoorstel.

Als het nieuwe systeem er niet komt, valt er een gat in het budget van staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken. Het gaat om bezuinigingen die zijn ingeboekt, omdat minder beroep wordt gedaan op de bijstand. Het gat loopt op van 50 miljoen euro dit jaar tot 190 miljoen over drie jaar.

De Kamer heeft nu unaniem een motie ingediend om Donner te dwingen het wetsvoorstel in te trekken. Daar wordt woensdag over gestemd. Donner zal de wens in het kabinet bespreken maar wil nog steeds niet weten van intrekking. "De regering dient niet lichtvaardig een wetsvoorstel in. Eventueel zullen wij alsnog gemotiveerd aangeven waarom we dit zo willen doen."



RTL Nieuws 28 Mei 2004

Donner in conflict met Kamer over alimentatie.

Minister Donner van Justitie is in conflict geraakt met de Tweede Kamer over een nieuw systeem van alimentatie voor kinderen. De Kamer wees unaniem het wetsvoorstel af maar Donner weigert het in te trekken.

Wetsvoorstel

Het nieuwe stelsel moet ertoe leiden dat kinderalimentatie voortaan standaard naar inkomen wordt berekend. Ook de Raad van State, de rechters en gemeenten waren eerder al negatief over het wetsvoorstel. De Kamer heeft nu unaniem een motie ingediend om Donner te dwingen het wetsvoorstel in te trekken.

Bezuinigingen

Als het nieuwe systeem er niet komt, valt er een gat in het budget van staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken. Het gaat om bezuinigingen die zijn ingeboekt, omdat minder beroep wordt gedaan op de bijstand. Het gat loopt op van 50 miljoen euro dit jaar tot 190 miljoen over drie jaar.



Persbericht 17 oktober 2003

Ministerraad: Stelsel kinderalimentatie wordt herzien.

De ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel van minister Donner van Justitie waarbij het vaststellen van de hoogte van kinderalimentatie wordt herzien. Voortaan wordt deze alimentatie forfaitair vastgesteld aan de hand van maatstaven die bij Algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) wordt belast met het vaststellen van de alimentatie. De inningstaken van het bureau blijven ongewijzigd.

Het wetsvoorstel vloeit voort uit een Interdepartementaal beleidsonderzoek alimentatiebeleid (IBO), waarvan het eindrapport op 12 juni 2002 aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Uit het IBO-rapport bleek dat het bestaande kinderalimentatiestelsel vaak resulteert in onevenredige financiële lasten van de verzorgende ouder (meestal vrouw) na een echtscheiding of beëindiging van de relatie. Doordat alleenstaande ouders geen kinderalimentatie ontvangen of vragen, doen zij vaker een beroep op de bijstand dan noodzakelijk zou zijn bij een meer gelijke verdeling van de lasten na de scheiding. De IBO-werkgroep heeft voorstellen gedaan voor een wijze van (forfaitaire) vaststelling van kinderalimentatie, die in februari 2003 door het kabinet zijn overgenomen.

In het nieuwe stelsel wordt bij het vaststellen van de hoogte van de kinderalimentatie een forfaitaire tabel gehanteerd, die is neergelegd in een Algemene maatregel van bestuur. Op basis van deze tabel kunnen ouders onderling, de rechter of het LBIO vaststellen welk bedrag een alimentatieplichtige ouder per maand verschuldigd is. Dit bedrag wordt jaarlijks van rechtswege geïndexeerd met een door de minister van Justitie vast te stellen percentage.

Het LBIO zal worden belast met het vaststellen van de kinderalimentatie, maar in die gevallen waarin er een rechterlijke procedure aanhangig is inzake een scheiding of inzake het over het kind uit te oefenen gezag, kan de rechter worden verzocht de kinderalimentatie vast te stellen. De forfaitaire vaststelling vindt eenmalig plaats. Om in individuele gevallen een onevenredig bedrag te kunnen corrigeren, zijn een hardheids- en een wijzigingsclausule opgenomen op grond waarvan het bedrag kan worden gewijzigd.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.



Persbericht 12 juni 2002

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Instantie voor vaststelling en inning van kinderalimentatie en vereenvoudiging berekening kinderalimentatie.

Er moet één instantie komen die op verzoek van (een van) de ouders kinderalimentatie kan vaststellen en innen. Dat staat in de aanbevelingen van een interdepartementaal rapport over alimentatiebeleid. Als betaling uitblijft, zou deze organisatie ook beslag moeten kunnen leggen op het loon van de betalende ouder. Daarnaast moet de hoogte van kinderalimentie op een eenvoudige manier vastgesteld kunnen worden.

Demissionair staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mede namens demissionair staatssecretaris Kalsbeek van Justitie het rapport aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit de begeleidende brief van Verstand blijkt dat het huidige demissionaire kabinet een inhoudelijke reactie op het rapport overlaat aan een volgend kabinet.

Uit het rapport blijkt dat een groot deel (tussen de 43 en 65 procent) van de alleenstaande verzorgende ouders (meestal de vrouw) geen kinderalimentatie krijgt. De kinderalimentatie wordt niet vastgesteld of niet (tijdig) betaald. Het gevolg hiervan is dat de verzorgende ouders naar verhouding hogere kosten maken voor de verzorging van de kinderen dan hun ex-partners. Ook doen de verzorgende ouders door het uitblijven van de alimentatie een groter beroep op de bijstand dan noodzakelijk is. Om dit te voorkomen, doet het rapport aanbevelingen om de vaststelling en inning van de kinderalimentatie te verbeteren.

Op dit moment houden de rechterlijke macht, het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en de gemeentelijke sociale dienst zich voor verschillende groepen bezig met de inning en vaststelling van kinderalimentatie. Het rapport stelt dat één organisatie de vaststelling en inning van kinderalimentatie zou moeten overnemen. Als de ouders niet tot overeenstemming komen, kan deze organisatie op verzoek van (een van) de ouders de kinderalimentatie vaststellen en innen. De organisatie zou (tegen een vergoeding) open moeten staan voor alle ouders die uit elkaar gaan en niet alleen voor specifieke groepen.

Ook wordt in het rapport een eenvoudiger berekening van de hoogte van kinderalimentatie voorgesteld die in elk geval gebruikt zou moeten worden als de ouders er onderling niet uitkomen. In dit model bestaat de kinderalimentatie uit een onderhoudsdeel en een verzorgingsdeel. De niet-verzorgende ouder draagt een vast bedrag bij aan het onderhoud van het kind. Daarnaast betaalt hij of zij volgens vaste normen voor de zorg die de andere ouder op zich heeft genomen. Op dit moment wordt de hoogte van kinderalimentatie berekend aan de hand van de draagkracht van de niet-verzorgende ouder en de behoefte van het kind. De ingewikkelde manier van berekening maakt de verzorgende ouder afhankelijk van de medewerking van de ex-partner. Omdat de draagkracht van de betalende ouder in loop van de tijd kan veranderen, blijven voortdurend wijzigingen in de hoogte van alimentatie mogelijk.

In het rapport worden ook twee varianten op het bovengenoemde 'basismodel' voor de berekening van de alimentatie gepresenteerd. In de eerste variant wordt bij de vaststelling van het onderhoudsdeel van de alimentatie rekening gehouden met het inkomen van de betalende ouder. Dit voorstel is echter nog steeds eenvoudiger dan de huidige draagkrachtberekening, omdat hierbij alleen rekening wordt gehouden met het inkomen en bijvoorbeeld niet met schulden en bezit. Ook wordt de hoogte van de kinderalimentatie eenmalig vastgesteld en kan deze niet meer wijzigen. In een tweede variant wordt de alimentatie bovendien in het vierde, twaalfde en achttiende levensjaar van het kind aangepast aan de dan geldende kosten.


Last update: 03-06-2006
Disclaimer.

Hoewel de heer Hein Pragt de informatie beschikbaar op deze pagina met grote zorg samenstelt, sluit de heer Pragt alle aansprakelijkheid uit met betrekking tot de informatie die, in welke vorm dan ook, via zijn site wordt aangeboden. Het opnemen van een afbeelding of verwijzing is uitsluitend bedoeld als een mogelijke bron van informatie voor de bezoeker en mag op generlei wijze als instemming, goedkeuring of afkeuring worden uitgelegd, noch kunnen daaraan rechten worden ontleend. Op de artikelen van de heer Pragt op deze Internetsite rust auteursrecht. Overname van informatie (tekst en afbeeldingen) is uitsluitend toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Voor vragen over copyright en het gebruik van de informatie op deze site kunt u contact opnemen met: (email: mail@heinpragt.com)